Terug naar nieuws

Pers communiqué Europees hof berispt luchtvaartmaatschappijen

Hof bevestigt recht op compensatie

Het Hof bevestigt zijn rechtspraak dat passagiers van een langdurig vertraagde vlucht compensatie kunnen krijgen.

Wanneer passagiers drie uur na de geplande aankomsttijd of later hun eindbestemming bereiken, kunnen zij aan de luchtvaartmaatschappij forfaitaire compensatie vragen, tenzij de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden Naar het recht van de Unie kunnen passagiers van een geannuleerde vlucht forfaitaire compensatie van 250 tot 600 EUR krijgen. In het arrest Sturgeon heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat passagiers van een vertraagde vlucht kunnen worden gelijkgesteld met passagiers van een geannuleerde vlucht wat hun recht op compensatie betreft. Het Hof heeft dus geoordeeld dat passagiers van een vertraagde vlucht, wanneer zij drie uur na de oorspronkelijk geplande aankomsttijd of later hun eindbestemming bereiken, de luchtvaartmaatschappij om forfaitaire compensatie kunnen vragen, tenzij de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden.Het Amtsgericht Köln (Duitsland) en de High Court of Justice (Verenigd Koninkrijk) wensen verduidelijking over de draagwijdte van het arrest Sturgeon. In de eerste zaak (C-581/10) moet de Duitse rechter uitspraak doen over een geschil dat tussen passagiers en de luchtvaartmaatschappij Lufthansa is gerezen naar aanleiding van een vlucht die volgens het vluchtschema meer dan 24 uur vertraging had opgelopen. In de tweede zaak (C-629/10) hebben TUI Travel, British Airways, easyJet Airline en International Air Transport Association (IATA) zich tot de rechter van het Verenigd Koninkrijk gewend omdat de Civil Aviation Authority weigerde in te gaan op hun verzoek om hun geen verplichting tot compensatie voor passagiers van een vertraagde vlucht op te leggen. Deze onafhankelijke organisatie, die verantwoordelijk is voor de naleving van de luchtvaartregelgeving in het Verenigd Koninkrijk, had aangevoerd dat zij door het arrest Sturgeon gebonden was.In zijn arrest van heden bevestigt het Hof de uitlegging die het in het arrest Sturgeon aan het Unierecht heeft gegeven. Het herinnert eraan dat het gelijkheidsbeginselverlangt dat de situatie van passagiers van een vertraagde vlucht wordt beschouwd als vergelijkbaar met die van passagiers van een „in extremis” geannuleerde vlucht wat de toepassing van hun recht op compensatie betreft, aangezien deze passagiers soortgelijk ongemak ondervinden, dat wil zeggen tijdverlies.Aangezien passagiers van een geannuleerde vlucht recht op compensatie hebben wanneer zij drie uur of meer tijd verliezen, beslist het Hof dat ook passagiers van een vertraagde vlucht aanspraak op compensatie kunnen maken wanneer zij wegens de vertraging van hun vlucht hetzelfde tijdverlies lijden, dat wil zeggenwanneer zij drie uur na de door de luchtvervoerder oorspronkelijk geplande aankomsttijd of later hun eindbestemming bereiken.De Uniewetgever heeft met deze wetgeving de belangen van luchtreizigers en de belangen van luchtvervoerders willen verzoenen. Passagiers hebben wegens een dergelijke vertraging dus geen recht op compensatie wanneer de luchtvervoerder kan aantonen dat de langdurige vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet konden worden voorkomen, dat wil zeggen van omstandigheden waarop de luchtvervoerder geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen.Het Hof merkt bovendien op dat het vereiste van compensatie voor passagiers van een vertraagde vlucht verenigbaar is met het Verdrag van Montreal. In dit verband stelt het Hof vast dat het met een vertraagde vlucht gepaard gaande tijdverlies een ongemak vormt waarvoor geen regeling in het Verdrag van Montreal is voorzien. Bijgevolg valt de verplichting tot compensatie voor passagiers van een vertraagde vlucht buiten de werkingssfeer van dit Verdrag, met dien verstande dat deze verplichting de bij dit Verdrag ingevoerde schadeloosstellingsregeling aanvult.Vervolgens is het Hof van oordeel dat deze verplichting ook verenigbaar is met het rechtszekerheidsbeginsel, dat verlangt dat passagiers en luchtvervoerders nauwkeurig de omvang van hun respectieve rechten en plichten kennen.Daarenboven preciseert het Hof dat dit vereiste in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, dat vereist dat de handelingen van de instellingen van de Unie niet buiten de grenzen treden van wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de rechtmatige doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, en de veroorzaakte nadelen niet onevenredig zijn aan de beoogde doelstellingen. In dit verband stelt het Hof vast dat de compensatieplicht niet in alle gevallen van vertraging geldt, maar enkel in geval van langdurige vertraging. Bovendien zijn de luchtvervoerders niet verplicht compensatie te betalen wanneer zij kunnen aantonen dat de annulering of de langdurige vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden.

Ten slotte onderzoekt het Hof de verzoeken van de betrokken luchtvaartmaatschappijen om de werking van het arrest in de tijd te beperken. Deze luchtvaartmaatschappijen zijn van mening dat het recht van de Unie niet kan dienen als grondslag voor een vordering tot verkrijging van compensatie voor passagiers wier vlucht vertraging heeft opgelopen vóór de datum van uitspraak van het onderhavige arrest, behalve voor passagiers die op de datum van dit arrest bij de rechter reeds een vordering tot verkrijging van compensatie hadden ingediend.

Op deze verzoeken antwoordt het Hof dat de werking van het onderhavige arrest niet in de tijd hoeft te worden beperkt.